"Het droomlichaam bevindt zich niet in ons Stoffelijk lichaam, en ook niet er buiten. Maar in de alam Hanlara, limpud-limpudan. Daarom construeeren wij altijd iets verder dan de neustop. De hersenen zijn de bewaarplaats van Kennis. Die zijn eigenlijk donker, doch onze
Zahra belicht ze. Daarom zijn de hersenen van een geoefende altijd belicht. Daarom weet hij alles. Hij behoeft maar zijn
Zahra te richten om de kennis te vinden, nodig voor Zijn constructie. De eigenaardigheid van de constructie is b.v. een slang, ver hier vandaan, kan moeilijk of niet naar ons toe kruipen. Maar hebben we de
mantram, welke hem hier naar toe roept, gepreveld (diutjapatiƩ), dan bevindt hij zich niet lang daarna hier voor ons! Door die
mantram ontstaat een verbinding tussen ons en die slang, welke hem naar ons toe geleidt! En alles gaat geen gemakkelijk bij iemand die geoefend is. Opo sing adoh biso digawe yjedah, opo sing tjedah biso digawe adoh! Tenslotte dus komt alles door de routine. Training. Daarom kunnen de geoefenden en de oudheid krachten e.d. deponeeren in krissen, amuletten, enz. Ondat ze die routine hebben verkregen door hun trainingen!"
Geschreven op 28 februari 1956
Bron: Aantekeningen van de gesprekken van oom Gondo